Ik schilderde een portret van Helmut Lachenmann


Geschreven n.a.v. een opdracht  aan studenten om op de een of ander manier iets te vertellen over hun werk.





Helmut Lachenmann is een componist. Hij werd geboren in 1935 in Stuttgard. Hij heeft veel werken gecomponeerd maar werd pas op hoge leeftijd bekend. Zijn extreme klankwereld lijkt misschien op het eerste gehoor onmuzikaal al ontwaar je al snel een zekere en strenge orde waarvan je echter niet direct door hebt waaruit die bestaat. Zelf ziet hij zijn muziek in de traditie van de klassieke muziek. Je hoort een soort klankkettingen. De ene klank wijst naar de volgende. De stilte ertussen is de wording van de muziek. Zoals dat trouwens ook bij alle muziek wel het geval is.  Goede muziekanten weten dat. De soms snelle reeksen, kettingen met heel verschillende schakels worden geladen met die wording van de stilteschakels. Dat geeft de muziek een stuwende kracht. Zelf spreekt hij van energieën van klanken of over klank als bericht van zijn onstaansvoorwaarden. Is dat de rede dat hij zoveel ruisklanken gebruikt en de meestal conventionele instrumenten dikwijls nogal onconventioneel gebruikt. Een viool kan bijvoorbeeld op vele manieren geluid voortbrengen, ook door op de kast te strijken of over de kam waarover de snaren getrokken zijn etc. Zo zoekt hij de randen op van wat nog klinkt of hoorbaar is, of mogelijk is. Ik ervaar zijn werk als een soort klankpoëzie, of ook wel als vertellingen. Dat laatste is heel duidelijk in zijn opera Das Mädchen mit den Schwefelhölzern, naar een sprookje van Christian Andersen en onder andere tekst van Leonardo Da Vinci. De muziek sluit nauw aan op de tekst en verbeeldt die soms bijna als illustratie. Toch blijft ze autonoom, blijft het geruis, het gekraak, gezang, de kras, de slag, de stem zelfstandig zoals in de moderne schilderkunst de handeling, de verf, de kwast, de verfroller, de streek, het gebaar bijna steeds als zelfstandige elementen op het schilderij verschijnen. Je zou de muziek van Helmut Lachenmann materieel kunnen noemen, materie van de klank, de energie van de materie van de klank, de energie van bijvoorbeeld een blok beton en van een rietje. Hij wordt wel de laatste echt moderne componist genoemd al is het narratieve karakter van zijn muziek net als de muziek van bijvoorbeeld Pierre Boulez al een verwijzing naar een meer postmoderne houding en een jonge componist als bijvoorbeeld Enno Poppe doet er zijn voordeel mee in bijvoorbeeld zijn werk: Holz, Knochen, Öl evenals Wolfgang Mitterer die de taal van Lachenmann combineert met techno- en popelementen.
Ik schilderde een portret van Helmut Lachenmann. Wat zien we? Ik heb een portret van Helmut Lachenmann geschilderd. Het werk is 90x100cm groot. Dat zien we niet, dat heb ik gemeten. De achtergrond is groen, wat legergroen, nee, iets helderder en in die groene achtergrond staat iets geschreven. Tenminste dat lijkt zo. We kunnen niet goed ontcijferen wat er staat. Helmut heeft een wel erg vreemd hoofd. Het is bijna in een kleur geschilderd, met dikke verf die plaatselijk zeer dik is, maar bijvoorbeeld niet waar de neus zou moeten zitten. De verf boetseert niet naar de plastiek van het gezicht. Of misschien toch wel een beetje. We zien vooral een blik, een kijken, een vertoeven in het kijken zoals iemand voor zich uit kan kijken en tegelijk in zichzelf schijnt te kijken of zoals het kijken verschiet in het kijken naar iemand anders.

In Milaan zag ik jaren geleden een schilderij van Leonardo Da Vinci: Portret van een musicus. Een prachtig klein werk in een brede gouden bewerkelijke lijst. Niet groter dan 30x20cm denk ik. De jonge man kijkt in het schilderij naar rechts zodat je zijn hoofd half van voren ziet. Achter zijn hoofd is er het donker van de achtergrond. Weer thuis, probeerde ik te ontdekken hoe het toch kwam dat ik steeds achter het hoofd van de musicus in het zwart een punt projecteerde alsof daarvandaan het hoofd zijn energie kreeg. Ik tekende de constellatie maar kon zoals gewoonlijk Leonardo niet echt door krijgen. Maar ik ontdekte wel dat het te maken heeft met de hand die rechtsonder in het werk een briefje vasthoudt waar een partituur op staat van een muziekstuk. Er ontstaat zo een diagonaal die vanuit de rechter benedenhoek, die gevuld is met het briefje, leidt naar de linkerbovenhoek waar de open zwarte ruimte is die daardoor ook een sterke aanwezigheid krijgt. Maar ook als ik naar ander werk van hem kijk, blijf ik mij verwonderen. Ik was bijvoorbeeld in het Louvre en keek naar het meer dan raadselachtige schilderij met de zo wonderlijke compositie: De heilige maagd, het kindje Jezus en de heilige Anna. Het hing toen naast de Mona Lisa waar een menigte mensen voor stond. Voor de heilige maagd etc. stond niemand. Ik kon dus rustig kijken en werd onder andere de energie van een arm gewaar, de rechterarm van Maria die naar het kindje reikt. Alsof de arm uit zichzelf gevormd was, de constructie volledig begrepen was vanuit de aanwezigheid zelf, vanuit de aanwezigheid van hoe Leonardo de arm tekende met verf en penseel, de manier hoe hij de materie ordende. Alsof je vanuit de diepte van de materie een arm begrijpen kunt…….. zoals de klank voor Lachemann zijn ontstaansvoorwaarde is.

Maar wat een portret, dat van die musicus van Leonardo. Hij luistert niet naar muziek, daarvoor staat hij er te kunstmatig statig en gecomponeerd op, al blijft hij erg levensecht, jeugdig en vastberaden en het voelt alsof hij denkt en zichzelf denkt, de wereld weet.

Luistert Helmut Lachenmann naar zijn muziek zoals hij daar toch wat ontspannen zit op het schilderij? De legergroene achtergrond heeft in de gesloten ruimten van de gespiegelde letters dikke proppen, dus in de rondjes van bijvoorbeeld de o is de verf heel dik als zijn die dicht gepropt. Als wil daar nog een andere ruimte iets vertellen. Zo is de achtergrond even belangrijk geworden als de figuur die op het schilderij is afgebeeld. De ruimte om hem heen is als het ware gematerialiseerd en dan vooral daar waar er kleine afgesloten ruimten zijn volgepropt; daar komt iets letterlijk op je toe, van ver, zoals het gezicht letterlijk op je toe komt door die vieze dikke gelige materie, vanuit die materie. Hij draagt een zwart jasje en een donkere trui en/of hemd. Zijn broek is ook zwart. Alleen zijn ineengestrengelde handen zijn duidelijk uitgelicht, alsof hij bidt, maar zo hebben wat oudere mensen dikwijls hun handen. Hij zit, al zie je niets van een stoel. De afbeelding van de zittende componist is afgesneden precies onder de geschilderde handen die op de lijn rusten waarop de musicus als vorm is neergezet. Op de lijn rustend is de gestalte opeens erg plat, alsof het een op een schap geplaatste rond de figuur uitgeknipte foto betreft. Zowel plat als plastisch is hij, ook zijn hoofd opeens. Omdat de handen met echte schaduw geschilderd zijn blijven die driedimensionaal verschijnen. Door de globale platheid van het werk echter heeft alles ook de neiging achter het oppervlak een diepte te suggereren, en zeker doet het dikgeschilderde hoofd dat.
En wat is dat voor gat in het doek precies waar zijn rechterknie naar voren steekt? Ook daar wordt sterk een richting dwars op het oppervlak van het doek gesuggereerd. Het schilderij gaat zich als een ding manifesteren en is daarom deel van de ruimte van de toeschouwer geworden, hij, zij, ik, jij.  Is hij er echt? Nee, even goed is hij er niet. Waar is hij eigenlijk die Lachenmann? Ik ken hem niet persoonlijk. Waar zijn we nu? Ik,wij, hij? Op het doek is er zoiets als wat ik beschreef. Is het de mogelijkheid van een portret? Schilderde ik dat, de mogelijkheid of de onmogelijkheid? Schilderde ik een afbeelding, een afbeelding van een afbeelding in mijn hoofd? Een vorm als een afbeelding? Maakt mijn kijken naar het werk het reëel , echt, ervaar je dat zo, zoals je iemand ervaren kunt, als hoor je hem ademen, gelijk met je eigen aanwezigheid, je eigen ademen, deel van aanwezig zijn in aanwezig zijn, in de spiegel zijn, de spiegel Helmut Lachenmann? Hij gaat zo meteen spreken, eerst moet hij nog de muziek uitluisteren, Helmut Lachenmann. Ik de ik en Helmut Lachenmann, de man, ik en Helmut Lachenmann op een lijn geschreven. Ik schilderde de Helmut Lachenmann. Ik schilderde Helmut Lachenmann. Ik. Jij. Jullie. Wij. Helmut Lachenmann, hij weet er niet eens wat van, die man, de componist die trouwde met de dochter van de wereldberoemde componist en communist Luigi Nono, die getrouwd was met de dochter van de gigant Arnold Schönberg, die van de twaalftoonsmuziek, je weet wel die van het begin van de piep piep knor muziek zou je kunnen zeggen, de dodecafonie noemen ze dat ook wel, waar iedere toon gelijkwaardig is en gelijkwaardig te horen is in steeds wisselende reeksen, kettingen, de meest democratische muziek ooit. En ik schilderde die Helmut Lachenmann in een zeer klassieke pose, een beetje scheef met een been over het ander geslagen en dan net tegen de richting van het lichaam in kijkt hij je aan of kijkt hij met mij en hem mij aan als spiegelspel van de reflexie? Ik schilderde een portret van Helmut Lachenmann. Het is pas een paar maanden geleden dat ik dat deed. Sindsdien heb ik niet zo veel meer geluisterd naar zijn muziek. Toch weer eens doen. Als je pas naar zijn werk geluisterd hebt is het gerammel van keukengerei tijdens het koken als zijn muziek. Maar dat duurt niet lang. Alleen Lachenmann kan dat laten klinken als stuwende durende muziek die dan sterft: Ausklang heet een van zijn composities. En de stilte schuift langzaam binnen.. ………..in de klank. Weg, hij is er niet….ze is er niet meer…… die muziek……. niet…………niet… ……….meer………….zo is…………is….het portret.





Toon Teeken

Officiële website en online portfolio van Toon Teeken, schilder.
beeldend kunstenaar, schilder, Toon Teeken

CV

Werk

Groepsexposities

Solo-exposities

Opdrachten

Teksten

Contact

Over deze website