Grijze gaten


Overwegingen bij het werk van Vincent Dams, gelezen op de opening van zijn expositie:

The love, live & labour of Alphonse Barrow Jr.
De Overslag, Eindhoven
12 juni tot en met 27 juni 2010

Als het goed is dan zouden we ons toch zelf moeten zien. We zijn in de kelder van het gebouw waar Vincent Dams (1983) zijn atelier heeft, een gekraakt pand van de Nederlandse Bank, apart gebouwd om de overgang van de gulden naar de euro in goede banen te leiden. Ja, maar die deuren en ik begreep niet direct wat hij bedoelde. We staan in een omloop rond een betonnen rechthoekige bunker die de kluis van de bank was. De smalle gang loopt rond de bunker die als het ware een dubbele wand heeft als bij een goocheltrucdoos. In de hoeken van de gang zijn loodrecht op de lijn die de hoek doormidden deelt hoge spiegels gemonteerd die ons de hoek om laten kijken, en weer, en weer, en ook de volgende hoek om zodat je jezelf zou moeten kunnen zien staan.

Op een groot schilderij van Vincent Dams, het linker deel van een drieluik, staat links onder in de hoek een borstbeeld. Het is een brildrager maar zijn bril heeft hij achterstevoren op zodat de armen van de bril naar voren steken. Kijkt hij naar zichzelf, als in een spiegel? Kijkt hij zijn achterhoofd in, maar dat ontbreekt? Zo wordt zijn gezicht een masker en achter dat masker is helemaal niets. Ik vond pasgeleden een oud gedicht van mij en ik moest daaraan denken:

Stigma
Heel nauwkeurig wilde ik mij
in de spiegel zien
heel recht
mijn ogen
Ik heb mijn wimpers bestudeerd
uit vlees gespiesde horentjes
en de poriën van de huid op mijn neus
blonken vochtig ongewassen
moerassig
Toen keek ik naar mijn ogen
eerst nog naar het wit
wit met nicotineaanslag
Ivoor omgaf dovende knikkers
levensloos, niet van een ander
niet exact rond met Arabische gom gebonden
pigmentaders om een open vissemond
die zwarte punt, zo blind in het midden
Zo dichtbij was niets nog nooit dichtbij geweest
zo nuchter
Ik liep leeg
mijn draadsculptuur zeeg ineen
Vuile vegen op de spiegel
dreven in geel dat zich in mijn voorhoofd spande
broos voor de breuk
De doden moest ik mijn ogen sluiten
Toen was mijn pas kalm de gang door
van de spiegel zonder lijst

Vincent bezocht mijn atelier om een foto van mij te maken en een motief te komen lenen uit een van mijn werken. Ik had ooit uit een tijschrift een fotootje geknipt van een pop waarvan de rok een halve bol is en op die bol stond de helft van de wereldkaart. Dat motief wilde hij lenen zoals ik het geleend had. De foto die hij toen van mij maakte, was aanleiding voor het borstbeeld met die vreemd gedragen bril, alsof ik op mijn achterhoofd ben gevallen zodat het nu ontbreekt. Ik zoek naar achteren, terwijl mijn neus maar groeit en groeit als die van Pinochio, die het ook niet helpen kan dat hij liegt. Al liegend streef ik naar waarachtigheid zegt de Zwitserse schrijver Charles Lewinski (1946) die voor de helft van het jaar in een Frans dorp woont en de andere helft in Zwitserland.

Autopsychografie
De dichter wendt slechts voor.
Hij veinst zo door en door
Dat hij zelfs voorwendt pijn te zijn
Zijn werkelijk gevoelde pijn

En zij die lezen wat hij schreef,
Voelen in de gelezen pijn
Niet de twee die hij geleden heeft,
Maar een die de hunne niet kan zijn.

En zo rijdt op zijn rails in 't rond,
Tot vermaak van onze rede,
Die opwindtrein, in dichtersmond
Ook wel ‘het hart ’geheten.

Dit gedicht is geschreven door Fernando Pessoa (1888–1935), nu eens onder zijn eigen naam en niet onder een van zijn vele heteroniemen. Omdat hij zoveel identiteiten tegelijk was, kon hij zijn hele leven in Lissabon blijven wonen en niet zoals Lewinski steeds wisselen van woonplaats om iemand anders te zijn.

En let wel, het is een opwindtrein en niet de echte trein die maar rondrijdt, volgens Pessoa.

Tjongejonge! Wat is alles toch raar vandaag! En gisteren ging alles zijn gewone gang. Ik vraag me af of ik vannacht veranderd ben. Eens even denken: was ik hetzelfde toen ik vanmorgen opstond? Ik geloof haast dat ik me kan herinneren dat ik me een beetje anders voelde. Maar als ik niet hetzelfde ben, wie in vredesnaam ben ik dan? Aha, dat is de hamvraag!
Aan het woord is Alice, op dat moment nog in de vestibule, in Lewis Carrolls (1832-1898) bekende boek Alice in Wonderland. Even daarvoor zat ze nog rustig met haar zus aan de oever van een rivier, en nu is ze plotseling in het hol van een sprekend konijn beland, waar ze eerst gevaarlijk klein, en dan weer veel te groot wordt en al snel tot haar eerste ‘hamvraag’ komt: Ben ik nu nog diegene die ik vanmorgen was, en wie of wat zal ik straks zijn?
Volgens de Franse filosoof Gilles Deleuze (1925-1995) is Lewis Carroll degene die ‘de eerste grote visie, de eerste grote mise-en scéne maakt van de paradoxen van de zin, door ze te verzamelen én te vernieuwen, door ze uit te vinden en voor te bereiden’ (1)

Maar er is af en toe geen touw aan vast te knopen aan dat verhaal van Alice in Wonderland.

In de spiegel
Paultje heet je, dat weet ik
want je woont tegenover en komt
onze huiskamer wel op stelten zetten.
Je felle stem wil regeren
over je tierend luchtvlugge bewegingen
en de flits in je ogen en je ledematen
die de tafel plots aan je voeten combineert
aan het touw, aan de lamp en die stoel daar
was er al voor de sprong van de hond
die je eerst zelf al springt
terwijl je de knoop van je blous
aan je vingers knoopt

Eens ving ik je op na twaalven. Je kwam uit school
en mijn ontbijt was nog kruimelig en staarde
in staan aan het raam rond de planten.
Je sprong in het venster van een tegel op een andere donkere
en bleef toen op twee benen tegen elkaar en strekte je
als voer er uit de bodem een straal.
Je hief toen een been even gestrekt naar voren
je hoofd voorover
en je voegde het heel precies naast je linker
je armen naast je lichaam een heel beetje ervandaan
maakten je licht
en je bleef staan

Er groeidetoen heel langzaam een stap
en je haalde heel precies je linker naast je rechter schoen,
nog een, je hoofd naar je voeten, je benen, je dijen, en je ogen
keerden in de as van je smalle borstkas.

Toen een boog van een verre sprong Paultje, en nog een
nog schever met armen als vlerken door het veld
en uit de spiegel van het gespiegelde beeld
waar het staren bleef staan ramen rond de planten.


Ik hoorde later dat die Paultje over wie ik ooit dit gedicht schreef, toen hij wat ouder was, van een garage gesprongen is om te kijken of hij kon vliegen.

Wat een blijdschap de volgende dag toen ze wakker werden! Bouvard stak een pijp op, Pecuchet nam een snuifje en ze verklaarden dat het de lekkerste van hun leven waren. Vervolgens gingen ze voor het raam staan om naar het landschap te kijken.

Als het goed is, zouden we onszelf toch moeten zien.

Maar dat is nu juist het probleem, dat we ons zelf nooit zien. En de spiegel, ach, die werkt niet hebben we al geleerd. Lacan (1901-1981), Frans psycholoog, heeft het al uitputtend beschreven, er komt haast geen einde aan het gespiegel.

Er bestaat geen uiteindelijke theorie van het heelal.

Er bestaat geen uiteindelijke theorie van het heelal, alleen een oneindige reeks van theoriën die het heelal steeds nauwkeuriger beschrijven.

Er bestaat geen theorie van het heelal, en gebeurtenissen kunnen slechts in beperkte maten worden voorspeld daar ze toevallig en willekeurig optreden.


Drie mogelijkheden die de Britse natuurkundige Stephen Hawkins (1942) noemt in zijn boek: Het Heelal. Hij vraagt zich af welke uitspraak we zouden kiezen. Hawkins is vooral bekend om zijn onderzoek naar zwarte gaten en een van de hoodstukken uit het boven genoemde boek heet: Zwarte gaten zijn zo zwart nog niet. Volgens zijn theorie onsnapt er nog wel eens wat uit die opslorpende blindheid. Het zwarte gat is een beetje grijs geworden. Het is dus niet zo zeker dat alles er verdwijnt.
Ik denk dat de meeste nu wel voor de tweede of derde optie kiezen. Hawkins zelf stelt het er afhankelijk van of we God een rol geven in het geheel. Ondertussen gaat het heelal en de gechiedenis verder, met of zonder God.

Geschiedenis maken we met z’n allen en iets is pas geschiedenis als het voorbij is en we het hebben opgeschreven of verteld en in een begrijpelijk kader hebben geplaatst dat we zelf hebben gekozen. Is het dan nog wel de gebeurtenis die plaats had? Maar wat moeten we dan als waarachtig geloven van geschiedenis? Ach, het is maar een constructie, maar dat is weer te  gemakkelijk. Houdt Vincent daarom zo van geschiedenis?
Definitie van geschiedenis: ‘De duizenden min of meer waarachtige, min of meer schandalige gebeurtenissen die men de geschiedenis pleegt te noemen.’ (Babou Frezel, Gedachten en raadgevingen betreffende het onderwijs)
Dit noteerde Gustave Flauber, Frans schrijver (1821-1880), in zijn laatste roman Bouvard en Pecuchet.

Ik was steeds nogal teleurgesteld als iemand vertelde over een gebeurtenis die ik ook had meegemaakt. Het klopte niet, of het klopte wel een beetje maar moest toch heel anders verteld worden. Zo bleef er niets van over. En er was nog iets wat ik moeilijk onder woorden kon brengen. Nu het door iemand in zinnen gevat was, bestond het niet meer. Wat ik beleefd had, bestond bij mij nog alleen geheel, gedeeld, vragend en dwalend in mijn achterhoofd waar het nog geen grens had en nu was het daar verdwenen. Ik voelde dat er iets was stuk gemaakt en ik wist gelijk dat het niet meer te repareren viel.

Moet je als kunstenaar de zaken zo vertellen dat je ze niet stuk maakt, dat ze levensvatbaar blijven en hun energie bewaren?

Vincent Dams nam mij mee naar zijn atelier om mij er zo snel mogelijk weer vandaan te halen door voor te stellen me even het gebouw te laten zien, en zo kwamen we in de gang rond de kluis.

Je moet als kunstenaar steeds een beetje naast de dingen richten?

De tocht door heel het gebouw waar op de zolder een reusachtige verwarmingsinstallatie stond te zoemen die ook zorgde dat de luchtcirkulatie in het gebouw aangenaam bleef, duurde redelijk lang, en ik werd me bewust van Vincents poging mij te laten cirkuleren om niet to the point te hoeven komen…. om er misschien toch te komen. Je komt altijd aan, maar ergens anders, zegt de Argentijnse dichter Roberto Juarroz (1925-1995) in Verticale poëzie Xll

Bouvard en Pecuchet zijn personages uit de roman van Gustaaf Flaubert die ik zoëven noemde. De man uit de titel van deze tentoonstelling: Alphonse Barrow Jr. kan ik niet vinden via Wikipedia, maar ik denk dat hij wel wat lijkt op een van die twee. En de roman van Flaubert zou best The love, live & labour of Bouvard and Pecuchet kunnen heten. Toen hij het boek schreef, vroeg Flaubert zich meermalen af of hij niet krankzinnig was dat hij een dergelijk werk wilde maken en hij heeft het ook niet voltooid, zijn dood heeft hem ervan verlost. Wel heeft hij allerlei aantekeningen voor nog te schrijven hoofdstukken achtergelaten en daar was de definitie van geschiedenis, die ik hierboven gaf, er een van. Het boek gaat over twee kantoorklerken, kopiïsten. Een ervan, Bouvard krijgt een erfenis die hem in staat stelt zijn baan op te zeggen en zich verder bezig te houden met alles wat hem interesseert. Zijn vriend mag ook meedoen. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat ze uit zijn op een definitieve theorie over alles, maar dan ook alles, dat ze iedere vraag nu eens eindelijk definitief zullen oplossen en zo zouden de drie mogelijkheden van Hawkins vervangen kunnen worden door één zekerheid. Dat zou geruststellend zijn ……… of niet?
Hoe dan ook Bouvard en Pecuchet richten zich op alles wat in die tijd actueel en belangrijk gevonden wordt. Ze stevenen recht op het doel af. Ze verzamelen zoveel mogelijk materiaal over een onderwerp. Alles wordt gecopieerd, opgeslagen. Het wordt zo’n grote berg dat het onderzoek wanhopig in de mist raakt. Ten einde raad geven ze het op, om niet al te lang erna uit hun depressie te raken en bevangen te worden door een nieuw gegeven. Vol enthousiasme en met veel investeringen slaan ze weer op hol, totdat etc. etc. en het geld begint op den duur ook een beetje op te raken. Het boek komt zoals gezegd niet af. En dat mag wel haast symbolisch heten. Alles in het boek strandt en mislukt maar het boek is daaraantegen zeer geslaagd en is zijn tijd zo een slordige honderd jaar vooruit, want met recht mag het de eerste postmoderne roman genoemd worden. Graag geef ik hier nog enkele van de aantekeningen die Flaubert maakte voor het tweede deel:
De meloen is door de natuur in parten verdeeld om in gezinsverband genuttigd te worden; de pompoen kan dank zij zijn grotere formaat samen met de buren genuttigd worden. ( Bernardin de Saint-Pierre, Harmonieën van de Natuur)

Een echtgenoot overlijdt plotseling omdat zijn vrouw een wind in zijn mond heeft gelaten. (Raspail, Geschiedenis, gezondheid en ziekte blz. 168)

‘De vrouwen in Egypte prostitueerden zich in het openbaar aan krokodillen’(Proudon, De zondagsviering 1850)

Calvijn. ‘Overleed aan geslachtsziekte.’ (De eerwaarde Gaume)

De Britse filosoof en wiskundige Alfred North Whitehead (1861-1947) heeft met Russel (1872-1970), Brits filosoof, boeken over wiskundige problemen geschreven. Pas in Amerika waar hij aan het eind van zijn carriëre doceerde aan de Harvard University heeft hij zijn filosofische euvre geschreven waarmee hij bekend en beroemd is geworden. Hij is de laatste filosoof die een sluitend filosofisch systeem heeft willen construeren. Hij zou als zodanig wel in het boek van Flaubert passen. Of hij zou een personage kunnen zijn dat de Ierse schrijver Flan O’ Brien (1911-1966) opvoert, bijvoorbeeld de wetenschapper De Selby in het boek De derde politieman, dat volgens Vincent een van de hoogtepunten in de literatuur is, al geeft hij de voorkeur aan een ander meesterwerk van Flan O’Brien: Tegengif.
Maar de idëen van Whitehead zijn heel serieus, net als overigens die van Flan O’Brien, en krijgen de laatste jaren steeds meer aandacht. Hij probeert een denken te ontwikkelen dat recht doet aan de in die tijd grote ontwikkelingen in de biologie, exacte wetenschappen en vooral in de natuurkunde. Ook Darwin (1809-1882) moest meegedacht, en ook eventuele fouten zoals die natuurlijk ook bij Darwins evolutie een grote rol spelen. En denk bijvoorbeeld aan Einstein (1879-1955) en de relativiteitstheorie of aan de quantummechanica waar Einstein weer grote moeite mee had omdat er daar niets zeker is. God dobbelt niet, zei hij erover.
De procesfilosofie die Whitehead ontwerpt komt er op neer dat er steeds ontwikkeling en groei is, en dat alle factoren en niet alleen fisieke, empirische en meetbare daar deel aan hebben. Ook bijvoorbeeld zin, gevoel, emotie, interpretatie en fantasie tellen, en hij probeert als 20ste eeuwse denker God een plaats te geven in het geheel, gewoon al omdat die niet uit de geschiedenis van de mensen is weg te denken.
De procesfilosofie zegt dat door andere samenstellingen van wat voorhande is er steeds nieuwe uitgekristaliseerde dingen onstaan, zaken die geheel af komen, maar als affe dingen weer opgenomen kunnen worden in nieuwe samenstellingen. Hij beschrijft de werking van deze processen nauwgezet en analytisch en geeft zo bijna een handleiding voor wat in de kunst de collage is gaan heten. Vincent Dams gebruikt die methode overal, maar vooral in zijn installaties waar hij de dingen herschikt, ze hergebruikt in andere opstellingen in andere ruimten. Ieder zo onstaan werk wil een afgerond geheel zijn, en, zo zal blijken, rond een soort god, een centrum dat zowel aan- als afwezig is.

Op een prachtig schilderij van Vincent Dams staat een 19de eeuws meisje, zwart/wit geschilderd, dat doet denken aan het meisje op de illustraties van John Tenniel (1820-1914) in het boek Alice in Wonderland van Lewis Carroll. Maar het is Alice niet. Vincent ontdekte dat het koningin Wilhelmina is (1880-1962). Met haar typisch 19de eeuwse kledij staat ze wat vreemd in het kleurrijke werk. Ze draagt twee reclameborden, een voor en een achter haar, zoals een sandwichman. De afbeelding op het voorste bord is een stierenkop die in relief levensgroot naar voren steekt. Als we goed kijken komt uit het bord dat op haar rug hangt het achterlijf van het dier. Het beest doet denken aan stierenvechten omdat de kop van de stier is overschilderd met rode verf, een rode lap die over zijn kop hangt, voor zijn ogen en hem blind maakt. Blind van woede? Ziet hij zwart voor ogen als een opslorpend zwart gat waar toch nog iets uit ontsnapt? Kijkt hij nu in zichzelf en richt zijn woede naar binnen? Maar daar staat het meisje. Ze kijkt wat onthutst en geamuseerd bezorgd. De stier is doorgezaagd alla Damien Hirst en het maagdelijke meisje is tussen de twee delen geplaatst. Het schilderij is een opeenstapeling van dingen, gedachten, emoties, ruimten en mogelijkheden. Zo ontstaan allerlei redelijke en onredelijke associaties en als je ook nog koningin Welhelmina herkent, en haar wel eens op een oude film stevig door de modder hebt zien stappen, of haar cordate wat schrille stem wel eens gehoord hebt, dan schieten de mogelijke verbanden alle kanten op. De associaties blijven rondzingen, ook door de vloer die precies op de plek waar ze staat merkwaardig wankel verschijnt. De planken zijn daar uit het perspektief getrokken. Er doen zich kaleidoscopische kleurflikkeringen voor. De ruimte van het werk vindt er ongeveer zijn centrum. De kleuren komen er samen terwijl de constellatie opgebouwd is uit veel concentrische cirkels die het werkelijk vaste punt nergens vinden. Ook zie je totempaalachtige tekens op zeker wel drie staken, en die symbolen fladderen boven haar hoofd alle richtingen op. De elementen schuiven in elkaar en zijn in volle ontwikkeling. Er is nog geen rust. Waar gaat het heen, wat wordt uit dit alles? Komt het af? Vindt het een einde, een voltooing? Het schilderij is wel af!

Op een ander schilderij, het rechter deel van het hiervoor genoemde drieluik, zien we groot centraal in beeld Don Quichotte, direct herkenbaar omdat hij afkomstig lijkt van de bekende illustraties van Gustave Doré (1832-1883). Achter hem zweeft iemand als een geest. Het zal Dulcinea zijn, zijn geliefde waar alles om draait, en daar weer achter zien we Sancho Panza en zijn paard, hier als een schaakstuk. De ene figuur, Don Quichotte is een drieëenheid als betrof het God zelf al is de heilige geest hier een vrouw en de vader een domheid die rond de leegte tot wijsheid omslaat. En op het middelste doek van het drieluik zien we een stierenvechter die zijn rode lap toont die hier plots een lichtende tunnel is het onbekende in.
Zeker, omkering en spiegeling daar houdt Vincent Dams van. Zo kun je de werkelijkheid naar je hand zetten, verhalen vertellen die hun eigen logica of onlogica uitschrijven. We zien hier in de tentoonstelling bijvoorbeeld een installatie waarbij een piano gespiegeld is. Het is een geschenk aan de linkshandige zus van Alphonse Barrow. Zo ontstaan twee reusachtige vleugels die op de muziek wegvliegen alsof piano’s niets wegen. En er wordt niet eens gespeeld op de piano’s. Het geschenk werkt helemaal niet. En ik denk aan een ander werk: twee bezems die met hun stelen tegen elkaar staan alsof ze elkaars spiegelbeeld zijn maar in het spiegelen plots nutteloos. Vegen ze een gat in de vloer? Zijn ze in gesprek? Gooien ze het op een accoordje? Bezems vegen schoon, vegen weg maar deze verhouden zich alleen tot elkaar, houden elkaar in evenwicht bijna als een contemplatie over de plek. En Vincent zijn geliefde schrijver Flan O’Brien noteert in een voetnoot in De derde politieman, die ik hier maar in zijn geheel overneem: Hatchjaw merkt op (hoewel dit door Bassett niet bevestigd wordt) dat De Selby gedurende de ganse tien jaar die heenging met het schrijven van zijn Landsbeschrijving, geobsedeerd was door spiegels en er zo vaak zijn toevlucht toe nam dat hij beweerde twee linker handen te hebben en in een wereld leefde die door een houten lijst op willekeurige wijze begrensd was. Op den duur weigerde hij om ook maar iets rechtstreeks te zien en droeg hij permanent een spiegeltje voor zijn ogen, onder een bepaalde hoek opgehangen door middel van een dradenmechaniek van eigen maaksel. Nadat hij zijn toevlucht had genomen tot deze fantastische apparatuur, onderhield hij zich met bezoekers met zijn rug naar hen toe en de blik naar boven geslagen; men vertelt zelfs dat hij achteruitlopend lange wandelingen door drukke straten maakte. Hatchjaw beweert dat zijn stelling ondersteund wordt door het ms. van ongeveer driehonderd pagina’s van de landsbeschrijving, die in spiegelschrift geschreven zijn, ‘een beklagenswaardige drukker noodzakelijk maakte’. (De Selby’s life & time, pag.221)
Dus het gespiegel is Vincent niet vreemd en meegenomen is dat een spiegel ook recht doet aan de kloof die iedereen oproept wanneer hij met een potlood op papier, met krijt op de stoep of met een stok in het zand een tekening maakt of een zin opschrijft. Taal is bij Vincent Dams minstens zo belangrijk als beeld. Hij is dol op litheratuur, vooral fantastische. Hij maakt zelf ook boeken die we hier jammer genoeg niet zien. Het zijn nogal ongebruikelijke boeken. De Dikke van Dale bijvoorbeeld is voorzien van een omslag die het een roman maakt. Opsomming, stapeling en er is zelfs een boek dat alleen een kaft blijkt te zijn. Er zit niets in. Ik heb zelf middagen met een telefoonboek doorgebracht. Veelheid en leegte…..?

Jean-Luc Nancy, Frans filosoof (1940), die vindt dat kunst een presentatie is van zin, gevoel, of van existentie schrijft in zijn essay Schilderkunst in de grot over de vroegste prehistorische mens als hij tekent op de wanden van een grot: ‘Hij gaat niet lukraak maar ook niet planmatig te werk. Zijn hand beweegt zich in een leegte die op het moment zelf wordt uitgediept. Ze trekt zijn zijn niet door in zijn handeling, maar scheidt hem van zichzelf. Maar die scheiding ís de handeling van zijn zijn. Hier is hij buiten zichzelf, nog voor hij ooit van zichzelf was, nog voor hij ooit zichzelf was. In feite opent die uitgestoken hand uit zichzelf de leegte, maar ze vult haar niet. Ze opent de gaping van een presentie die afwezig is geraakt door haar hand uit te steken.’ Het gaat er dan volgens Nancy om dat het verschijnt, de gebeurtenis van het verschijnen als een spoor van het verschijnen, verschijnt en zo ontdekt het oog dat het ziet, altijd nieuw en singulier in een gapende leegte van de paradoxen van de zin.

Al kletsend blijf ik me verwonderen over het feit dat we ons zelf niet zien in de gang rond de kluis. We komen bij de kluisdeuren die open staan en het wordt mij direct duidelijk. We gaan er binnen: een grote betonnen TL verlichtte lege ruimte. Nu er geen goudstaven meer liggen, geen bankbiljetten, is het dan nog wel een kluis? Nee, eigenlijk niet, gewoon een lege ruimte. Er is niets, het centrum, het heilige der heilige is niets?
De kluisdeuren staan open maar we kunnen er niet in. We zijn er rond gegaan en willen dan binnengaan en staan binnen maar zijn er niet in.
Het atelier van Vincent is leeg, het is hier niet, en is hier, want ergens anders in dit gebouw, waar het een chaos is van allerlei, en waar hij eigenlijk niet echt wil zijn met mij. We zijn hier en zien ons niet. Zo dichtbij was niets nog nooit dichtbij geweest. Toen was mijn pas kalm de gang door van de spiegels zonder lijst.

En de leegte was afwisselend verschenen in zwart en wit, in blindheid en in een lichtende tunnel maar ook in de door de handeling geopende afstand en dat alles deed me even denken aan een tentoonstelling met werken van de Duitse schilder Gerhard Richter (1932), ik denk in Dusseldorf die hij zelf had ingericht. Bij het betreden van de grote expositie hing een groot donker monotoon grijs werk en er tegenover een heldere evengrote spiegel zonder lijst. Daarna ontvouwde de tentoonstelling zich als een kaleidoscoop van stijlen en stijlmiddelen, citaten en samenstellingen. De leegte werd je in alle mogelijke vormen aangewreven. Een forse spiegel centraal in de expositie was in een constructie gemonteerd die het gevaarte steeds liet kantelen.

Toen ik thuis kwam na het atelierbezoek aan Vincent Dams heb ik bij bol.com maar direct Vincents favorite boek van de Argenteinse schrijver Jorge Louis Borges (1899-1986) besteld, tweedehands, maar het was gelukkig nog te krijgen: Het boek van de denkbeeldige wezens.

Toon Teeken juni 2010

(1)Marc de Kessel, Logique du sens, in Deleuze compendium, Boom 2009.

Toon Teeken

Officiële website en online portfolio van Toon Teeken, schilder.
beeldend kunstenaar, schilder, Toon Teeken

CV

Werk

Groepsexposities

Solo-exposities

Opdrachten

Teksten

Contact

Over deze website